Polder-WW is mogelijk RVU; 52% boete?

Werkgevers en werknemers zijn er nog over aan het stoeien. Binnenkort komen zij mogelijk een regeling overeen die de WW gaat aanvullen met een derde uitkeringsjaar. Volgens de fiscale definitie van het begrip Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU) en jurisprudentie van de Hoge Raad kan deze polder-WW een RVU betreffen.

Werknemers gaan de premie voor het derde WW-jaar betalen aan een (sector)fonds dat uitkeringen zal verstrekken aan werklozen die na afloop van de wettelijke duur van de WW (maximaal 2 jaar) nog niet aan het werk zijn. De uitkeringsduur van de WW wordt dus niet verlengd; er wordt maximaal een jaartje aan vastgeplakt. Het derde jaar uitkering is terug te voeren op de dienstbetrekking. Daarom dreigt er mijns inziens een RVU-heffing als een oudere werknemer een polder-WW uitkering ontvangt. Het is inmiddels vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de RVU-toetsing moet plaatsvinden op basis van de objectieve leer. Niet de bedoeling van partijen is doorslaggevend maar de uiterlijke kenmerken van de regeling zelf. Als een oudere werknemer twee jaar WW ontvangt dan is er geen sprake van een RVU. De WW is immers een uitkering die wordt ontvangen om de inkomensachteruitgang bij werkeloosheid tegen te gaan en is geregeld door de overheid. Als een werkgever op dit moment een WW-aanvullende uitkering overeenkomt dan is dit wel degelijk een RVU. Hetzelfde zal in beginsel voor de Polder-WW gelden. Als overigens de zogenaamde kwantitatieve toets slaagt, dan is de Polder-WW géén RVU omdat de uitkering dan in kwantitatieve zin te laag is om als overbrugging te kunnen gelden (zie het besluit van 26 mei 2005). Voor de oudste werknemers zal de kwantitatieve toets niet slagen.

Ook op een andere manier kan de fiscus betogen dat de Polder-WW een RVU is. In artikel 8.7 Uitvoeringsbesluit loonbelasting is geregeld dat een uitkering die naar aard, strekking, omvang en uitkeringsduur gelijk is aan de WW geen RVU is. Op het gebied van de duur gaat de Polder-WW mank, waar het immers gaat om het derde jaar van werkloosheid. De WW zelf voorziet daar niet in.

Conclusie: de aanvullende uitkering kan vanwege artikel 8.7, de objectieve leer van de Hoge Raad en de kwantitatieve toets een RVU betreffen. Dit betekent dat de uitvoerder rekening zal moeten houden met 52% strafheffing over de uitkering als het een oudere werknemer betreft voor wie de kwantitatieve toets niet slaagt. Als hiermee bij het ontwerp van de Polder-WW geen rekening is gehouden, is het sterk aan te raden dat sociale partners het ministerie van Financiën of het Centraal Aanspreekpunt pensioenen even raadplegen alvorens de regeling overeen te komen.

25 april 2017