Risico naheffing premies door Bpf aanzienlijk groter geworden

Voor de vakantieperiode is er belangrijke jurisprudentie verschenen. Het Hof Arnhem/Leeuwarden heeft bepaald dat de verjaringstermijn voor niet afgedragen premies aan een verplichtgesteld Bpf pas start vanaf het moment dat de factuur is opgemaakt (2014) en niet vanaf het moment dat de onderneming verplicht was zich aan te sluiten bij het Bpf (2004). Voor de praktijk kan dit grote gevolgen hebben. Vooral voor ondernemingen die onbewust niet zijn aangesloten bij een verplichtgesteld Bpf en ingeval van overnames. Wat is er aan de hand?

In 2013 is duidelijk geworden dat de werknemers van een onderneming verplicht moeten deelnemen aan het Bedrijfstakpensioenfonds (Bpf) voor het Glazenwassersbedrijf. Partijen zijn het eens dat dit inderdaad het geval zou moeten zijn.

Het Bpf stuurt de onderneming in januari 2014 een factuur met premievorderingen over de jaren 2004 tot en met 2013. De onderneming weigert de factuur te betalen met onder andere een beroep op verjaring (voor de jaren 2004-2008).

Zowel de rechtbank als het Hof oordelen dat er weliswaar een verjaringstermijn van vijf jaar geldt, maar dat de verjaringstermijn pas start vanaf de volgende dag na het opeisbaar worden van de vordering. Het beleid van het Bpf is dat het aangesloten ondernemingen een premienota stuurt voor de verschuldigde premies, die uiterlijk binnen 14 dagen nadat het fonds deze verzonden heeft betaald dient te zijn. Volgens het Hof zijn de vorderingen over de jaren 2004-2008 pas opeisbaar geworden op het moment dat de facturen zijn gestuurd (in januari 2014). Deze zijn dus niet verjaard. 

De uitspraak van de rechtbank (uit 2015) bracht al wat commotie teweeg, waarbij een aantal deskundigen van mening was dat deze uitspraak niet juist is. Hun oordeel was dat niet de bekendheid met de verplichting tot premiebetaling de premievordering doet ontstaan, maar de vraag of de verplichtstelling van toepassing is. De premieplicht ontstaat immers van rechtswege op dat moment (in casu dus 2004). Het Hof erkent dit, maar dit brengt volgens het Hof niet zonder meer de opeisbaarheid daarvan op hetzelfde moment met zich mee in een dergelijk geval, waarin de bepalingen van het uitvoeringsreglement van het Bpf de opeisbaarheid bepalen.

Voor de praktijk betekent dit dat ondernemingen die onterecht niet zijn aangesloten bij een verplicht gesteld Bpf in voorkomende gevallen met een enorme premievordering kunnen worden geconfronteerd.

Bij overnames is de jurisprudentie een aandachtspunt. De koper heeft geen zekerheid voor wat betreft verschuldigde premies over het verleden. Waar voorheen het risico gecalculeerd kon worden op maximaal vijf jaar premiebetaling, is dat nu als het ware onbeperkt geworden. Het is de vraag of vrijwaringsclausules dan voldoende zekerheid bieden.

11 september 2017

Auteur(s)