Belastingdienst krijgt een nieuwe RVU-draai om de oren

Nog geen maand geleden behandelde ik een uitspraak van de Rechtbank Noord Holland waarin een vrijwillige vertrekregeling niet wordt aangemerkt als een RVU. Recent heeft Hof Den Bosch aangegeven een sociaal plan met daarin een plaatsmakersregeling niet als RVU te zien. Maakt deze zwaluw er meteen zomer van?

De uitspraak van de Rechtbank Noord Holland die ik afgelopen december behandelde betrof een niet-leeftijdsgebonden vrijwillige vertrekregeling op basis van de kantonrechtersformule. Geen RVU volgens de rechtbank.

De Hofuitspraak betreft het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Brabant West Zeeland van 19 februari 2015. Een werkgever heeft een reorganisatie laten plaatsvinden op basis waarvan 230 arbeidsplaatsen vervallen. Dit is gerealiseerd door een Sociaal Plan volgens het afspiegelingsbeginsel en door een in het Sociaal Plan opgenomen vrijwilligers- en plaatsmakersregeling (hierna: VPR). Van deze regeling kan alleen gebruik worden gemaakt als de werkgever daarvoor uitdrukkelijk schriftelijk toestemming kan geven.

Uit de uitspraak van het Hof blijkt dat als het Sociaal Plan zou zijn uitgevoerd met inachtneming van het afspiegelingsbeginsel - maar zonder de VPR - er in het cohort 55-64 jaar ongeveer 65 werknemers zouden zijn uitgestroomd. Feitelijk hebben 72 werknemers gebruik gemaakt van de VPR. Hierin zijn niet begrepen de werknemers die geopteerd hebben voor de VPR, maar op basis van het afspiegelingsbeginsel al tot de gedwongen ontslagen behoorden. Duidelijk is derhalve dat er meer ouderen zijn uitgestroomd dan het geval zou zijn geweest als het afspiegelingsbeginsel was toegepast. De werkgever heeft overigens 59 aanvragen van werknemers in het cohort 55-64 jaar afgewezen waardoor uitstroom van ouderen gemitigeerd is.

Hof Den Bosch verwijst naar de Hoge Raad uitspraken van 15 juni 2012 en 13 mei 2016 waaruit afgeleid kan worden dat de beweegredenen van de werkgever niet ter zake doen. Het Hof is van mening dat het doel en intentie die ten grondslag liggen aan de regeling op zichzelf onvoldoende is om te kunnen oordelen dat geen sprake is van een RVU. Het gaat erom of de regeling en de daarin opgenomen voorwaarden ertoe strekken dat er overbrugging wordt gegeven en er sprake is van een RVU. Het Hof is van mening dat er geen doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan eventuele bekendheid met de feitelijke uitstroom en de hoogte van de feitelijke beëindigingsvergoedingen.

Het Hof geeft aan dat er in het onderhavige geval sprake is van een regeling die iedere werknemer de mogelijkheid geeft vrijwillig en ongeacht leeftijd het dienstverband te beëindigen tegen een vertrekvergoeding op basis van de kantonrechtersformule. Over de kantonrechtersformule geeft het Hof aan dat deze in overeenstemming is met arbeidsrechtelijk aanvaardbare beginselen voor het bepalen van een vertrekvergoeding. De uitkering houdt geen verband met de pensioenleeftijd van de werknemer zoals de fiscus betoogt. Het Hof geeft niet aan in hoeverre haar oordeel anders zou luiden als de werkgever 59 ouderen er niet van zou hebben weerhouden gebruik te maken van de VPR.

Alhoewel de casus zeer specifiek is, lijkt de uitspraak toepasbaar op iedere situatie waarbij er geen (direct) verband in een regeling is tussen het vertrek en de vergoeding enerzijds en de leeftijd anderzijds. De Hofuitspraak kan verregaande consequenties hebben en betekent dat een aantal vragen en antwoorden van de Kennisgroep pensioenen loonbelasting zich niet verhouden tot de jurisprudentie. Verder lijkt het zogenaamde 10%-besluit van Financiën van 18 december 2013 (Nr. BLKB2013/2200M) een striktere interpretatie dan waarvan de wet uitgaat, althans gezien de uitleg die het Hof aan de wet geeft. Het kan haast niet anders dan dat er beroep in cassatie wordt aangetekend door de Belastingdienst. Ondertussen is het zaak bij reorganisaties anders dan via afspiegeling onverminderd veel aandacht te besteden aan het RVU-proof maken van de vertrekregeling. Het daarbij (tijdig) aanvragen van een beschikking bij de fiscus is min of meer standaard. Wordt de beschikking onverhoopt niet gegeven, dan opent dit de weg naar de rechter die langzamerhand eenduidige jurisprudentie wijst.

5 januari 2017