Belastingdienst onderuit in RVU-procedure

Een Nederlandse luchtvaartmaatschappij is door de rechtbank in het gelijk gesteld in het geval van een vrijwillige vertrekregeling. De luchtvaartmaatschappij heeft een vrijwillige vertrekregeling in het leven geroepen met een vertrekpremie gebaseerd op de zogenaamde Kantonrechtersformule. De uitspraak van de rechtbank Noord-Holland is zo klaar als een klontje. Géén RVU.

De werkgever had een personeelsbestand van onder meer 265 vliegers per april 2014. Als gevolg van krimpende activiteiten en economische omstandigheden is er in april 2014 een (eerste) overtolligheid ontstaan van 26,5 fte. Om deze overtolligheid af te bouwen is er met de Vereniging van Nederlandse Verkeersvliegers een viertal regelingen getroffen, waaronder overplaatsing- en detacheringsregelingen alsmede een vrijwillige vertrekregeling (VVR). Van de VVR hebben 9,4 fte gebruik gemaakt. Voorts zijn er vliegers bij andere luchtvaartmaatschappijen in dienst getreden of zijn daar gedetacheerd. Alle vliegers zijn in de gelegenheid gesteld afscheid te nemen met gebruik van de VVR.

De Belastingdienst is gevraagd om RVU-beschikkingen af te geven voor een drietal vliegers en op de VVR in zijn geheel. De Belastingdienst heeft dat geweigerd en heeft daarmee de weg geopend voor de werkgever om naar de belastingrechter te stappen.

De rechtbank geeft in haar uitspraak van 18 november 2016 aan dat uit de tekst van de wet (artikel 32ba Wet op de loonbelasting) en het arrest van de Hoge Raad van 13 mei 2016 volgt dat er een objectieve toets moet worden aangelegd. Intenties van werkgever en werknemer zijn niet van belang. Evenmin is van belang wie er uiteindelijk van de betreffende regeling gebruik maakt. Voorts geeft de rechtbank aan dat wel moet worden vastgesteld of de regeling de doelgroep beperkt door bijvoorbeeld een regeling uitsluitend open te stellen voor 50-plussers. Het gaat, aldus de rechtbank, om de algemene kenmerken van de (generieke) regeling. Tevens is volgens de rechtbank van belang dat de financiële vergoeding weliswaar afhankelijk is van het aantal dienstjaren maar dit op zich niet meebrengt dat er sprake is van een RVU. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de berekeningswijze niet ongebruikelijk is. Objectief gezien heeft de berekeningswijze niet ten doel een RVU in het leven te roepen. De uitspraak van de rechtbank is hiermee mijns inziens grotendeels parallel met die van de Rechtbank Zeeland West-Brabant van 19 februari 2015, waar de werkgever óók aan het langste fiscale eind trok.

Deze casus is in meerdere opzichten interessant. Allereerst omdat de objectieve leer hier voor het eerst in het nadeel werkt van de schatkist. Ten tweede omdat de uitkomst naar mijn mening hetzelfde zou moeten zijn als wél naar de intentie van de werkgever zou zijn gekeken. Deze subjectieve uitleg, die de staatssecretaris zelf introduceerde tijdens de parlementaire behandeling van de RVU, is recent afgewezen door de Hoge Raad. Als een onderneming echter sterk moet inkrimpen, werknemers daardoor thuis zitten en de werkgever zich netjes opstelt door werknemers niet te verplichten op te stappen, hoe kan dan sprake zijn van een VUT-regeling? Met deze uitspraak is er duidelijkheid voor praktijk én fiscus.

14 december 2016