Belastingdienst scherpt regels aan voor vaste indexatie van pensioen

In een actualiteit uit december 2018 ben ik ingegaan op beleid van de Belastingdienst rond het indexeren van pensioen. Over het beleid ten aanzien van zogenaamde vaste indexatie zijn vragen gesteld door KWPS. De Belastingdienst heeft hierop onlangs schriftelijk geantwoord. Uit het antwoord wordt duidelijk dat vaste indexatie uit een overschot aan zeer strikte fiscale voorwaarden is gebonden.

Vaste indexatie betreft de (on)voorwaardelijke toeslagverlening op pensioen met een vast percentage. Dat percentage mag maximaal 3% zijn. Onvoorwaardelijke vaste indexatie is zonder meer toegestaan en moet op basis van de Pensioenwet direct worden afgefinancierd. Voorwaardelijke indexatie is aan nadere regels gebonden, zeker als het vaste indexatie uit een overschot betreft. Ik verwijs allereerst naar de eerdere actualiteit.

KWPS heeft vragen gesteld over de volgende zin uit het recente Vraag en Antwoord 18-008: ‘Een vaste indexatie kan niet eenmalig of over enige (toekomstige) jaren worden toegezegd om een overschot, liquidatiesaldo of indexatiedepot e.d. van een pensioenfonds of pensioenpolis te verdelen’. Op de vragen van KWPS heeft de Belastingdienst als volgt geantwoord:

Algemeen

Artikel 18d Wet LB 1964 staat toe pensioenaanspraken aan te passen aan de loon- of prijsontwikkeling. Binnen deze wettelijk geboden ruimte bestaat ook de mogelijkheid voor een vaste indexatie zolang deze een redelijke benadering is van de loon- of prijsindexatie. Uit een lange reeks van inflatiecijfers uit het verleden is af te leiden dat een vaste indexatie niet hoger kan zijn dan 3%. Uit het voorgaande volgt dat een vaste indexatie alleen dan een redelijke benadering is van de loon- of prijsindex indien deze vaste indexatie over een (lange) reeks van (toekomstige) jaren wordt toegezegd. Indien de toezegging van een vaste indexatie slechts voor een beperkt aantal jaren geldt, is de vaste indexatie geen reële vertaling van de indexen over een reeks van jaren.

Uw vragen

Uw vragen zijn toegespitst op de passage uit V&A 18-008 waarin is opgenomen dat het niet is toegestaan om een eenmalige of een in de tijd beperkte vaste indexatie toe te zeggen om zodoende bijvoorbeeld een overschot, liquidatiesaldo of indexatiedepot van een pensioenfonds of pensioenpolis te verdelen.

Met deze passage geeft het CAP aan dat indien de toezegging van de vaste indexatie beperkt is tot het aantal jaren waarin deze uit een overschot, liquidatiesaldo of indexatiedepot kan worden gefinancierd, er geen sprake is van een vaste indexatie die een redelijke benadering vormt van de toekomstige loon- of prijsindexatie. Van belang is dat de duur van de periode waarover een vaste indexatie is toegezegd niet bij voorbaat vaststaat en onafhankelijk is van de omvang van het saldo waaruit deze wordt gefinancierd. Of het saldo waaruit de vaste indexatie wordt gefinancierd, gevormd is met het oog op deze toeslag is irrelevant. In het V&A is dit tot uitdrukking gebracht door in het antwoord zowel het indexatiedepot (wel gevormd met het oog op indexatie) als ook andere financieringsbronnen (niet noodzakelijkerwijs gevormd met het oog op indexatie) te noemen. Ongeacht de financieringsbron geldt dat een vaste indexatie slechts mogelijk is indien deze voor een lange reeks toekomstige jaren wordt toegezegd. De beoordeling hoe lang deze reeks van toekomstige jaren moet zijn om te kunnen spreken van een redelijke benadering van de loon- of prijsindexatie, is voorbehouden aan de bevoegde inspecteur.

Het antwoord maakt twee zaken duidelijk. Het is allereerst niet relevant wat de herkomst is van het potje waaruit de vaste indexatie wordt gefinancierd. Voorts mag de indexatie niet in de tijd beperkt zijn, maar moet zijn toegezegd voor een lange reeks van toekomstige jaren. De duur mag niet van tevoren vaststaan. Dat impliceert dat het indexatiedepot hoog moet zijn in verhouding tot de jaarlijkse koopsom van de indexatie en maakt een vaste indexatie van 3% in veel gevallen onmogelijk. Het antwoord maakt niet alleen im- maar ook expliciet duidelijk dat afstemming met de fiscus aan te raden is. De competente inspecteur bepaalt of er sprake is van een reeks van toekomstige jaren die lang genoeg is. Een alternatief is om ‘gewoon’ loon- of prijsindexatie toe te passen. 

30 januari 2019