Hoge Raad geeft knock-out in RVU-discussie

Lagere rechters hebben al een aantal keren bepaald dat leeftijdsonafhankelijk opgezette vrijwillige vertrekregelingen geen Regeling voor vervroegde uittreding (RVU) betreffen. De Hoge Raad bevestigt dit in haar uitspraak van 22 juni en gaat nog iets verder.

De casus betreft kortgezegd een reorganisatie waarbij boventallige werknemers op basis van het afspiegelingsbeginsel uitstromen. Het Sociaal Plan bevat óók een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling gebaseerd op de kantonrechtersformule. Voor een meer uitgebreide behandeling van de casus verwijs ik naar de voorafgaande uitspraken van Hof en met name Rechtbank.

Bottomline: er zijn vanwege de vrijwilligers- en plaatsmakersregeling de facto meer ouderen uitgestroomd dan er uitgestroomd zouden zijn als alleen het afspiegelingsbeginsel zou zijn toegepast. In cassatie heeft de staatsecretaris betoogd dat het Hof rekening had moeten houden met deze feitelijke werking van de vrijwilligers- en plaatsmakersregeling. De Hoge Raad is kort en duidelijk. Beweegredenen van de werkgever zijn niet relevant. Dat geldt ook voor intenties en keuzes van werknemers. Ook op de feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de overeengekomen vergoeding dient niet te worden gelet. Er had in casu vooraf door de fiscus kunnen worden aangeknoopt bij de objectieve kenmerken van de regeling en niet bij het achteraf blijkende feitelijke gebruik ervan.

Met het arrest van de Hoge Raad wordt definitief duidelijk dat zolang een (direct) verband met de leeftijd ontbreekt vrijwilligers- en plaatsmakersregelingen, onderdeel van een sociaal Plan of niet, geen RVU betreffen. Het arrest maakt ook duidelijk dat de Belastingdienst niet langer RVU-beschikkingen kan onthouden ter zake vrijwillige vertrekregelingen. Tot slot is het hoog tijd dat het met dit arrest strijdige beleid van het ministerie van Financiën gewijzigd of ingetrokken wordt.

 26 juni 2018