Plaatsmakersregeling kwalificeert niet automatisch als een RVU

(Rechtbank Zeeland- West-Brabant 19 februari 2015)

Indien in een sociaal plan een afvloeiing volgens het afspiegelingsbeginsel gecombineerd wordt met een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling, dan is er niet automatisch sprake van een regeling voor vervroegde uittreding (RVU) op grond van artikel 32ba Wet op de loonbelasting 1964. De rechtbank geeft aan dat doorslaggevend is of de werkgever de intentie heeft om nagenoeg alleen oudere werknemers te laten afvloeien.

De werkgever heeft in het sociaal plan boventallige werknemers aangewezen volgens het afspiegelingsbeginsel bij onderling uitwisselbare functies. Het sociaal plan bevat tevens een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling. De werkgever heeft gevraagd een zogenaamde RVU-beschikking af te geven waaruit blijkt dat de vergoedingen die uit hoofde van het sociaal plan worden uitgekeerd niet worden aangemerkt als vergoeding uit hoofde van een regeling voor vervroegde uittreding. De inspecteur heeft aangegeven dat de beschikking niet kan worden afgegeven en stelt dat het sociaal plan een RVU is doordat er tevens een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling in opgenomen is.

De rechtbank geeft aan dat het van belang is of de werkgever de intentie heeft om met het sociaal plan nagenoeg alleen oudere werknemers te laten afvloeien. Dit is niet aannemelijk aldus de rechtbank. Als redenen hiervoor voert de rechtbank aan dat het ontslag niet is gekoppeld aan de leeftijd van de werknemers en er bovendien sprake is van een vergoeding op basis van de kantonrechtersformule die afhankelijk is van het maandinkomen en de lengte van het dienstverband en niet (per definitie) van de leeftijd van de werknemer. De rechtbank acht het verder van belang dat de werkgever verzoeken van werknemers om gebruik te maken van de vrijwilligers- of plaatsmakersregeling kan weigeren.

Uit de uitspraak wordt niet duidelijk hoeveel gewicht wordt gehecht aan dit laatste aspect. De werkgever heeft in totaal 80 verzoeken van vrijwilligers afgewezen waarvan ongeveer 60 van werknemers van 55 jaar of ouder. Ook laat de rechtbank meewegen dat er boventalligheid is aangezegd van ongeveer 230 werknemers, waarvan er ongeveer 105 jonger waren dan 55 jaar. Het lijkt er op dat de rechtbank voor de bedoeling van de werkgever in ieder geval deels heeft gekeken naar de feitelijke uitkomsten.

26 maart 2015