Minder fiscale drempels voor premieovereenkomsten

Onlangs is een nieuw premiestaffelbesluit gepubliceerd (besluit van 20 januari 2017) waarin de staatssecretaris van Financiën een aantal maatregelen heeft genomen, waarmee beschikbare premieregelingen weer iets in populariteit zullen toenemen.

Lagere rekenrente dan 4% en 3%

De afgelopen jaren zijn er verschillende premiestaffels ontstaan, gebaseerd op verschillende rekenrentes. Bij beschikbare premieregelingen geldt een algemene toets op bovenmatigheid: de met het pensioenkapitaal aan te kopen pensioenuitkering mag niet meer bedragen van 100% van het laatstverdiende loon. Voor de premiestaffels op basis van lagere rekenrentes dan 4% zijn aanvullende toetsen ingesteld.

  • 4%-staffels: de premiestaffel gebaseerd op een rekenrente van 4% is de enige die volledig conform de wettelijke voorschriften is, zodat geen extra voorwaarden zijn gesteld. Slechts een toetsing bij emigratie en op ingangsdatum.
  • 3%-staffels: als gevolg van de lage rentestand heeft de staatssecretaris goedgekeurd dat premiestaffels op basis van een rekenrente van 3% zijn toegestaan. De premies in deze staffels zijn hoger dan de 4%-staffels en daarom zijn er extra voorwaarden voor opgenomen: de eventtoetsen. Tijdens de opbouwfase dient er op zeven extra momenten te worden getoetst door de uitvoerder. Dit leidde met name voor de pensioenuitvoerders voor een forse administratieve last.
  • 2%-staffels: het afgelopen jaar zijn er premiestaffels aangeboden door pensioenuitvoerders op basis van een rekenrente van 2% en zelfs 1,5% (gebaseerd op de marktprijs voor middelloonpensioen). De eventtoetsen  gelden ook voor deze premiestaffels met dien verstande dat uitvoering door een premiepensioeninstelling (PPI) niet toegestaan was en de premiestaffel (jaarlijks) moest worden herzien indien de tarieven voor middelloonregelingen zouden wijzigen.

Vereenvoudigende maatregelen

  1. De eventtoetsen worden niet ingetrokken, maar mogen beperkt blijven tot het moment waarop de in de regeling opgebouwde waarde het regime voor de lagere rekenrente dan 4% geheel of gedeeltelijk verlaat (in praktijk: zodra er een uitkering voor wordt aangekocht). Dit zal de uitvoering aanzienlijk vereenvoudigen.
  2. Op grond van het nieuwe besluit mogen ook PPI's premiestaffels uitvoeren op basis van de marktprijs voor middelloonpensioen en dus een lagere rekenrente dan 3%.
  3. In het nieuwe besluit wordt toegestaan dat de tarieven/ rekenrente wordt gehanteerd voor een contractperiode van maximaal vijf jaar, zodat de staffel niet jaarlijks hoeft te worden herzien bij wijzigende tarieven.
  4. Indien bij de toetsen vast komt te staan dat er een overschot in het kapitaal aanwezig is, dan mag dit overschot vanaf heden aan de werkgever of de verzekeraar toekomen. Voorheen was dit slechts de verzekeraar.

Hogere percentages

Ten slotte merk ik op dat de maximale premiepercentages iets hoger zijn ten opzichte van de staffels in het vorige besluit. Dit wordt veroorzaakt door toepassing van een nieuwere sterftetafel. In de praktijk zal dit weinig effect hebben, omdat de meeste regelingen die per 2017 aangepast moesten worden inmiddels zijn geïmplementeerd.
In verband met de wijziging van de pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar per 2018 zullen de premiepercentages over tien maanden weer dalen. Zie ook onze eerdere actualiteit hierover.

Het besluit heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2017. 

7 februari 2017

Auteur(s)