Overige onderwerpen

Publicatiedatum 22 december 2020

In het consultatiewetsvoorstel wordt uitgebreid stil gestaan bij de (overgang naar de) vlakke premie. Andere belangrijke onderwerpen zijn nabestaandenpensioen, lijfrente en experimentele pensioenopbouw voor zelfstandigen.

Nabestaandenpensioen

In het nabestaandenpensioen (partner- en wezenpensioen) dienen onder meer de volgende wijzigingen te worden doorgevoerd, op zijn vroegst per 1 januari 2022 en uiterlijk per 31 december 2025:

  • Uniformering partnerbegrip: pensioenreglementen hanteren nu ieder een eigen definitie voor het begrip partner, zodat hierin veel verschillen zijn. Er komt één uniforme partnerdefinitie. Het is niet toegestaan hiervan af te wijken. Alle pensioenreglementen zullen dus in overeenstemming moeten worden gebracht met deze nieuwe uniforme definitie. Dit zal waarschijnlijk leiden tot hogere premies, omdat meer personen onder de partnerdefinitie vallen.
  • Het wordt verplicht om het partnerpensioen bij overlijden gedurende het dienstverband te baseren op een risicoverzekering. De nieuwe fiscale regels gaan uit van een te verzekeren partnerpensioen van maximaal 50% van het salaris. Het partnerpensioen wordt dus niet langer gekoppeld aan diensttijd en met de AOW-franchise hoeft geen rekening te worden gehouden. Er ontstaat meer fiscale ruimte, waardoor premies zouden kunnen stijgen. Partnerpensioen dat voor de wijziging al is opgebouwd om bij overlijden tot uitkering te kunnen komen, blijft intact.
  • Indien de dienstbetrekking voortijdig wordt beëindigd, dan wordt de verzekering voor het partnerpensioen standaard minimaal drie maanden voortgezet. Ook voor de werknemer die werkloos wordt, wordt de verzekering voor het partnerpensioen voortgezet.
  • Het blijft mogelijk een nabestaandenoverbruggingspensioen te verzekeren (echter zonder premiecompensatie).
  • Ook het wezenpensioen wordt gemaximeerd op een percentage van het salaris, te weten 20% voor enkele en 40% voor volle wezen. Ook dit is een fiscale verruiming.
  • Het wezenpensioen dient te eindigen op leeftijd 25 jaar. Nu is dat vaak nog 18 of 21 jaar, of 27 jaar indien het kind studeert.

Lijfrente

Het kabinet streeft naar één gelijke fiscaal gefaciliteerde opbouw van oudedagsvoorzieningen, ongeacht de arbeidsvorm. Concreet betekent dit dat de verschillen tussen de tweede (pensioen) en derde (lijfrente) pijler grotendeels verdwijnen. Dit begint met het toepassen van aan de maximale premiegrens van 30% hetgeen ook voor pensioen geldt vanaf 2022. Voor het overige worden nog geen concrete voorstellen uitgewerkt.

Pensioenexperiment voor zelfstandigen?

In Nederland is de communis opinio dat opbouw van oudedagsvoorzieningen onder zelfstandigen gestimuleerd moet worden. Een deel van de groep van zelfstandigen loopt het risico van inkomensterugval bij pensionering. Het wetsvoorstel moet het nu mogelijk maken - bij wijze van experiment - dat zelfstandigen zich vrijwillig aansluiten bij een pensioenfonds (tweede pijler) ‘om te profiteren van het collectieve karakter van pensioenregelingen en de voordelen die daarmee samenhangen (…) en het draagt bij aan het verminderen van onderscheid tussen zelfstandigen en werknemers door dezelfde pensioenmogelijkheden te bieden’. Het doel is om vast te stellen in hoeverre dit de pensioenopbouw van zelfstandigen stimuleert.

Het woord ‘experiment’ wekt allereerst niet veel vertrouwen en dat is vooral niet goed als het in relatie tot het woord ‘pensioen’ moet worden gelezen. Voorts stel ik hardop de vraag of de genoemde argumenten wel hout snijden als het bredere plaatje bekeken wordt. Door het experiment worden de randen van de taakafbakening tussen pensioenfondsen en verzekeraars opgezocht. Voorts kan de vraag worden gesteld of het experiment zich verhoudt tot de veelbesproken verplichtstelling. De verplichte deelname aan een pensioenfonds is een toegestane inbreuk op vrije mededinging vanwege solidariteit. Door nu zelfstandigen toe te laten die niet onder de verplichtstelling vallen, is het de vraag of die inbreuk nog gerechtvaardigd is en daarmee de verplichtstelling van pensioenfondsen. Tot slot: onderdeel van het bredere plaatje is ook dat het onderscheid tussen pensioen en lijfrente inhoudelijk wordt weggenomen (zie hiervoor). Door een laagdrempelige, eenvoudige en flexibele derde pijler kunnen zelfstandigen een identieke oudedagsvoorziening realiseren als werknemers. Er lijkt alle reden dat de wetgever er zorg voor draagt dat de verschillende schoenmakers zich bij hun leest houden. Belangenorganisaties van zelfstandigen zijn uitstekend in staat gebleken hun energie te richten op aanbieders van lijfrenteproducten en banksparen. Deze instellingen zijn daar al jaren voor ingericht en zijn de experimentele fase allang voorbij.

Meer informatie en contact
Natasja Winter
partner