Pensioen 2020 deel 4: Gaat Nederland in of uit de pensioenpas lopen?

In het huidige pensioenstelsel kunnen pensioenovereenkomsten worden gekarakteriseerd als een uitkerings-, kapitaal- of premieovereenkomst. Het karakter van een pensioenovereenkomst bepaalt wat de aard en financiering is. Na afschaffing van de doorsneepremie kunnen deze pensioenovereenkomsten niet zomaar voortgezet worden. Staatssecretaris Klijnsma stelt in haar Hoofdlijnennotitie nieuwe pensioenovereenkomsten voor. Of bestaat het pensioensysteem van de toekomst eigenlijk al? 

In het voorgestelde pensioenstelsel waarbij een gelijkblijvende premie het uitgangspunt is (zie deel 3), daalt de pensioenopbouw met de leeftijd. Dit wijkt af van het huidige pensioenstelsel, waar de pensioenopbouw voor iedere leeftijd gelijk is. De introductie van de gelijkblijvende premie is niet te combineren met een gelijkblijvend opbouwpercentage in middelloon of stijgende premiestaffels, zoals we deze nu kennen.

De Sociaal Economische Raad (hierna: SER) adviseerde in februari 2015 over een viertal nieuwe varianten die te combineren zijn met een gelijkblijvende premie. Hiervan zijn er wat Klijnsma betreft twee overgebleven:

De uitkeringsovereenkomst met degressieve opbouw

Bij degressieve opbouw wordt er met het toenemen van de leeftijd simpel gezegd steeds een lager percentage aan pensioenrechten opgebouwd. Dit betekent concreet dat er een staffeltje komt waarbij het opbouwpercentage steeds lager wordt en daarmee voor ouderen substantieel lager is dan voor jongeren. Verzekeraars kunnen een dergelijk systeem uitvoeren en de rechten garanderen (maar hoe lang willen ze dat nog?), pensioenfondsen kunnen de nominale zekerheid niet geven. Wij zijn erg benieuwd of deze degressieve vlieger gaat vliegen. Theoretisch gezien is degressieve opbouw mogelijk, maar zijn lagere opbouwpercentages voor ouderen wel te verkopen aan een werknemer?

Het persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling

Het klinkt op zich goed en eigentijds: persoonlijk pensioenvermogen. En ook ‘collectieve risicodeling’ klink als muziek in de oren. Feitelijk is het in de basis niet veel anders dan een Defined Contribution (DC) regeling, een beschikbare premieregeling. Omdat de premie voor ouderen en jongeren hetzelfde is, zal er in de basis minder weerstand zijn dan tegen degressieve opbouw. Er kan op verschillende manieren collectieve risicodeling plaatsvinden. Er worden drie hoofdvormen onderscheiden:

  • alleen de sterfte- en arbeidsongeschiktheidsrisico’s worden gedeeld. In dat geval praten we over een beschikbare premieregeling zoals deze nu al kan bestaan;
  • naast het sterfte- en arbeidsongeschiktheidsrisico worden ook de beleggingsrisico’s vanaf de pensioendatum gedeeld. Ook een dergelijk systeem is al (sinds september 2016) mogelijk;
  • naast sterfte- en arbeidsongeschiktheidsrisico en beleggingsrisico vanaf de pensioendatum wordt een collectieve buffer aangelegd om schokken op te kunnen vangen. Bij deze variant komt het oude pensioendenken nog even om het hoekje kijken.

De vraag is of degressief middelloon zal aanslaan bij de sociale partners. De auteurs van dit artikel zijn het daar in ieder geval niet over eens. Beschikbare premieregelingen, geënt op de Wet verbeterde premieregeling zijn persoonlijke pensioenvermogens met collectieve risicodeling. Het naampje is anders, het beestje hetzelfde. De vraag is of Nederland een uniek stelsel als degressief middelloon opzet of zich aansluit bij de internationale trend richting DC. De keuze staat vrij. Sociale partners dienen in het laatste geval vanuit hun zorgplicht en vanwege het persisterende gebrek aan pensioenvoorbereiding van het individu voor voldoende premie-inleg te zorgen, uitvoerders voor excellent beleggingsbeleid en lage uitvoeringskosten.

4 oktober 2016