Pensioen en Prinsjesdag 2016; achterstallig onderhoud?

Het kabinet heeft met Prinsjesdag een wetsvoorstel ingediend waarin een aantal pensioenonderwerpen wordt behandeld. In het wetsvoorstel worden welkome zaken geregeld die kunnen worden betiteld met: ‘beter laat dan nooit’. Als de wet wordt aangenomen dan kunnen we in 2017 de volgende aanpassingen verwachten.

1. Ingangsdatum pensioenuitkeringen

Pensioenuitvoerders hebben de ingangsdatum van het ouderdomspensioen decennia lang gekoppeld aan de eerste dag van de maand waarin de deelnemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Sinds de invoering van de € 100.000-grens voor pensioen beschouwt de Belastingdienst ingang op de eerste dag van maand als een vervroeging ten opzichte van de zuivere pensioenleeftijd en dient de uitkering actuarieel te worden herrekend en marginaal te worden verlaagd. Naar aanleiding van Kamervragen is al tijdelijk goedgekeurd dat actuariële herrekening achterwege mag blijven. In het wetsvoorstel wordt nu een permanente wettelijke regeling voorgesteld. Hiermee worden administratieve lasten beperkt en kan deze rituele dans met de fiscus worden gestopt.

Ook het nabestaandenpensioen gaat meestal in per de eerste dag van de maand waarin de werknemer is overleden. Op grond van de huidige interpretatie van het fiscaal pensioenrecht is dit niet toegestaan omdat het nabestaandenpensioen pas na het overlijden mag ingaan. Ook dit formele voorschrift leidt tot hoge administratieve lasten, zodat het kabinet voorstelt dat het nabestaandenpensioen voortaan mag ingaan in de periode tussen de eerste dag van de maand waarin de werknemer is overleden en de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de werknemer is overleden.

Al met al verandert er in de uitvoeringspraktijk vermoedelijk weinig, omdat veel pensioenuitvoerders hun regelingen nog niet hebben aangepast, in afwachting van vorengenoemde wijzigingen.

2. 100%-grens

Een pensioen mag in beginsel niet uitgaan boven 100% van het laatstverdiende loon. Pensioenuitvoerders dienen dit te toetsen. Er zijn acht wettelijke uitzonderingen op basis waarvan het pensioen meer mag bedragen dan deze grens. Dit maakt toetsing door uitvoerders uiterst complex. Daarnaast is het bereiken van de 100%-grens slechts in uitzonderlijke gevallen te realiseren. Daarom wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld de 100%-grens af te schaffen alsmede de daarvan afgeleide grenzen.

Ook van deze maatregel zal de gemiddelde deelnemer weinig merken; voor de kosten van uitvoering is dit een welkome tegemoetkoming, al komt deze een jaar of tien te laat.

3. Doorwerkvereiste

Op grond van het zogenaamde doorwerkvereiste kan een deelnemer later met pensioen indien en voor zover hij na de reguliere pensioendatum werkzaam blijft. Omdat pensioenuitvoerders nu jaarlijks moeten toetsen in hoeverre deelnemers nog doorwerken, leidt dit tot hoge administratieve lasten. Het kabinet wil deze lasten wegnemen en daarom het doorwerkvereiste afschaffen. De maatregel betekent simpelweg dat het pensioen kan worden uitgesteld, ook al werkt men niet door.

Het vervallen van het doorwerkvereiste biedt werknemers – net als vanwege het vervallen van de 100%-grens - meer keuzevrijheid en flexibiliteit ten aanzien van de pensioeningangsdatum. De enige voorwaarde die blijft gelden is dat het pensioen uiterlijk dient in te gaan op de datum waarop de werknemer de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-leeftijd. Beide maatregelen maken het voor werkgevers eenvoudiger om afspraken te maken met werknemers over gedeeltelijke vervroegde uitdiensttreding.

4. Tot slot

Onze verwachting is dat uitvoerders hun pensioenreglementen vrij massaal zullen willen aanpassen na inwerkingtreding van de wet. Alhoewel de bepalingen niet direct een materiële impact hebben op het pensioen is het zaak voor werknemers en werkgevers in de gaten te houden dat de pensioenregeling inhoudelijk niet wijzigt.

21 september 2016

Auteur(s)