Toekomstbestendig pensioenstelsel per 2020

In de Miljoenennota 2016 geeft het kabinet aan van mening te zijn dat met het nieuwe Financiële Toetsingskader, de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, de versnelde verhoging van de AOW en het per 2015 verkrapte Witteveenkader al maatregelen zijn genomen voor noodzakelijk onderhoud. Voor een toekomstbestendig pensioenstelsel is meer nodig. Er is volgens het kabinet behoefte aan een pensioenstelsel waarin duidelijk is waar mensen op kunnen rekenen en wat de risico’s zijn. Mensen moeten volgens het kabinet beter zicht krijgen op hun persoonlijke pensioenopbouw. Daarnaast moet het pensioenstelsel beter aansluiten bij de wensen van de moderne samenleving en de dynamischere arbeidsmarkt. Hiervoor is een wezenlijke verandering van het pensioenstelsel noodzakelijk. Het kabinet onderscheidt vier ambities ten aanzien van het toekomstige pensioenstelsel.

1. Alle werkenden, ook flexwerkers en zelfstandigen, moeten een toereikend pensioen kunnen opbouwen, passend bij hun situatie.‚Äč

Op dit punt wordt weinig concrete toelichting gegeven in de Miljoenennota en wordt in termen van algemeenheden gesproken. Er wordt aangegeven dat een gedifferentieerde aanpak nodig is om alle werkenden te ondersteunen bij de opbouw van een adequaat aanvullend pensioen: niet te weinig en niet te veel.
Commentaar: Wij zijn erg benieuwd naar het evenwicht binnen een dergelijke gedifferentieerde aanpak. Dit verschilt immers per individu en niet per categorie werkende. Het impliceert in ieder geval veel vrijheid.

2. Het afschaffen van de zogenaamde doorsneesystematiek.

Het kabinet wil naar een pensioensysteem met een actuarieel eerlijkere manier van pensioenopbouw waarin de herverdeling van jong naar oud stopt. Uit een eerdere publicatie is gebleken dat dit wordt ingevuld door over te stappen naar een degressieve opbouw in zogenaamde middelloonregelingen en gelijkblijvende premies in zogenaamde beschikbarepremieregelingen. Wij merken op dat het afschaffen van de doorsneesystematiek met name verstrekkende gevolgen heeft voor de verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen waarvoor nu geldt dat zij een doorsneepremie moeten hanteren.
Commentaar: Het is niet duidelijk of de doorsneesystematiek verboden wordt en daarmee tevens voor verzekeraars en ondernemingspensioenfondsen ontoegankelijk wordt. De met de wijziging samenhangende overgangsproblematiek is een heet hangijzer.

3. Het invoeren van een nieuwe soort pensioenovereenkomst.

Het kabinet wenst de sterke elementen van middelloon en de sterke elementen van beschikbarepremieregelingen te combineren. In het systeem dat de overheid voor ogen heeft is sprake van een persoonlijk pensioenvermogen. Hier komt de aap uit de pensioenmouw: de basis van het nieuwe systeem is een (beschikbare) premieovereenkomst. Deze wordt aangevuld met een zekere mate van risicodeling en een langere beleggingshorizon zoals in de huidige middelloonregelingen. Een wetsvoorstel dat langer doorbeleggen binnen een premieovereenkomst mogelijk moet maken is overigens al ingediend.
Commentaar: Als de tweede en derde ambitie in combinatie worden gelezen dan ontstaat de vraag of de nieuwe pensioenovereenkomst de default moet gaan worden voor verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen en een keuzemogelijkheid is bij een verzekeraar, algemeen pensioenfonds of ondernemingspensioenfonds. Voor een PPI geldt overigens reeds dat deze alleen een (beschikbare) premieovereenkomst mag uitvoeren.

4. Meer maatwerk en keuzemogelijkheden.

Het kabinet wil de onderzoeksmogelijkheden bekijken voor automatische pensioenopbouw met uitstapmogelijkheden voor in ieder geval zelfstandigen, alsmede de mogelijkheid inleg en uitkering af te stemmen op persoonlijke behoeften, zoals bij de aanschaf of de aflossing van een eigen woning of voor zorggerelateerde behoeften. Het kabinet gaat de mogelijkheden beter verkennen.
Ons commentaar: De intertemporele flexibiliteit die het kabinet op de agenda zet is relatief goed te combineren met gedeeltelijke opname van het pensioenkapitaal uit de nieuwe pensioenovereenkomst zoals beschreven onder punt 3. Het zou zo kunnen zijn dat bedrijfstakpensioenfondsen het maatwerk en de keuzemogelijkheden verplicht moeten aanbieden aan deelnemers. De keerzijde van maatwerk en flexibiliteit is een armoedeval. De hoogte van het pensioen wordt steeds lager. Redenen zijn periodieke ingrepen in het fiscale kader (tweede pijler), het sociaalrechtelijk kader (AOW, eerste pijler) en gebrek aan indexatiepotentieel (nFTK). Wij zijn benieuwd hoe flexibel de aanwendingsmogelijkheden voor pensioen in dat kader kunnen en zouden mogen zijn.

16 september 2015