Verjaring van pensioenpremies

In de praktijk is er regelmatig discussie over of een werknemer al dan niet onder een verplichtgesteld pensioenfonds valt en in dat kader sprake is van verschuldigdheid van premies en verjaring van premieschulden. De centrale vraag die speelt bij verjaringsvraagstukken is wanneer de premie opeisbaar is geworden. De afgelopen jaren zijn er meerdere rechtszaken gevoerd over de verjaring van premieschulden aan een bedrijfstakpensioenfonds. Uit de rechtspraak volgt helaas nog geen unaniem beeld.

De hoofdregel is dat een rechtsvordering verjaart door verloop van twintig jaren indien de wet niet anders bepaald. Voorts is bepaald dat een rechtsvordering van een verbintenis uit overeenkomst of een rechtsvordering tot het betalen van rechten, geldsommen, et cetera, verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgend op die dag waarop de vordering opeisbaar is geworden.

In dat kader ontstaat de vraag wanneer die opeisbaarheid dan precies aanvangt. In jurisprudentie is aan opeisbaarheid twee verschillende invullingen gegeven. Enerzijds zijn er rechtszaken geweest waarin opeisbaarheid is gedefinieerd als het moment waarop de vordering opeisbaar wordt. Dit wordt ook wel de objectieve aanvang genoemd. Anderzijds zijn er rechtszaken geweest waarin opeisbaarheid is gedefinieerd als het moment waarop de schuldeiser bekend is geworden met het bestaan van de vordering en de (verplichting van) de schuldenaar. Dit wordt ook wel de subjectieve aanvang genoemd.

Een korte bloemlezing van de meest recente jurisprudentie over de verjaring van pensioenpremies en toepassing van de objectieve dan wel subjectieve methode:

  • In 2019 heeft Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het Pointer-arrest de subjectieve methode toegepast en geoordeeld dat de verjaringstermijn aanvangt op het moment dat het pensioenfonds bekend is met de verplichting tot premieafdracht.
  • In maart 2021 wijkt de Rechtbank Rotterdam af van het Pointer-arrest. De Rechtbank zoekt voor de beoordeling of sprake is van verjaring in de eerste instantie aansluiting bij de bepalingen in het uitvoeringsreglement, namelijk dat premies binnen 14 dagen na afloop van elke loonperiode moeten zijn betaald. Vervolgens gaat zij echter mee in het beroep van het pensioenfonds op de beperkende werking in verband met redelijkheid en billijkheid. De Rechtbank heeft geoordeeld dat, mede gezien het feit dat het fonds niet in staat was om vorderingen tijdig in te stellen - omdat de werkgever zich jarenlang niet heeft aangemeld bij het fonds - het pensioenfonds de premies over het verleden terecht heeft ingevorderd. De rechtbank gaat voor de opeisbaarheid dus uit van de objectieve aanvang, maar komt in casu uiteindelijk tot dezelfde uitkomst als conform het Pointer-arrest.
  • In april 2021 volgt Rechtbank Midden-Nederland weer een andere route. De Rechtbank oordeelt dat geen aansluiting moet worden gezocht bij de verjaringstermijn van vijf jaar, omdat daar bekendheid van de schuldeiser met de schuldenaar wordt verondersteld, maar bij de hoofdregel, waarin een verjaringstermijn van 20 jaar vanaf het moment waarop de vordering tot premieafdracht van rechtswege is ontstaan. Dit lijdt slechts uitzondering indien het bedrijfstakpensioenfonds naar objectieve maatstaven gemeten - eerder dan wanneer het jegens een werkgever aanspraak op premieafdracht is gaan maken - bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met de vordering op de werkgever. De Rechtbank is van mening dat het fonds niet eerder had kunnen of moeten weten dat de werkgever in kwestie onderdeel uitmaakte van een groep vennootschappen dat reeds bij het fonds was aangesloten en dat een dergelijk onderzoek niet kan worden gevergd van een pensioenfonds. Het beroep op verjaring is daarom niet geslaagd.
  • Op 22 juni 2021 zoekt het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - in lijn met het Pointer-arrest - aansluiting bij het subjectieve aanvangsmoment van opeisbaarheid. Hieruit volgt dat een premievordering pas verjaart na vijf jaar nadat het bedrijfstakpensioenfonds redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen of kennis heeft genomen dat een werkgever onder de werkingssfeer valt.

De rechtspraak geeft helaas nog steeds geen unaniem beeld over de verjaring van vorderingen met betrekking tot niet afgedragen pensioenpremies. Ongetwijfeld leidt dit in de toekomst nog tot meer rechtszaken. Om discussies met een bedrijfstakpensioenfonds over verplichtstelling en risico’s op premievorderingen te voorkomen raden wij werkgevers in ieder geval aan om periodiek een werkingssfeeronderzoek te laten uitvoeren. KWPS kan dit onderzoek desgewenst voor u uitvoeren.

26 juli 2021

Auteur(s) en meer informatie: