Voer sectorale ‘pre-AOW’ in voor slijtende beroepen

Rondom de toch al complexe discussie rond een toekomstbestendig pensioensysteem in de tweede pijler zoemen twee bromvliegen rond. De ene heet ‘de stijgende AOW-leeftijd’ en de andere luistert naar de welluidende naam ‘slijtende beroepen en RVU-heffing’. Als we op deze twee vliegen één klap kunnen geven, wordt de discussie over het tweede pijler pensioen niet langer verstoord maar vereenvoudigd. 

Onze pensioenen in de tweede pijler zijn kapitaal gedekt. De premies worden opgebracht door werkgever en werknemers. Hiermee wordt een spaarpot gefinancierd. Op dit moment is de pensioenuitkering meestal gegarandeerd, althans die suggestie is decennia lang gewekt. Het afgelopen decennium begon een kentering en ontstonden kleine haarscheurtjes in het systeem die inmiddels flinke barsten zijn geworden. Onder andere het kabinet, maar ook een steeds groter aantal pensioenfondsen en werkgevers wil naar individuele spaarpotten met collectieve trekken. Maar over het tweede pijler pensioen gaat deze actualiteit niet.

De eerstgenoemde bromvlieg is een grote. De bonden willen een bevriezing van de snel gestegen AOW-leeftijd. Alhoewel het pleidooi begrijpelijk is en sympathiek lijkt, is het plan financieel niet haalbaar. De AOW betreft een omslag gedekt systeem. De werkenden betalen de AOW-uitkering van de gepensioneerden. Omdat het aantal ouderen groot is en tot 2045 verder zal toenemen betekent het bevriezen van de AOW-leeftijd een steeds hogere rekening voor werkenden. De bevriezing van de AOW zal vele miljarden kosten en is op zijn zachtst gezegd niet evenwichtig richting de premie- en belastingbetaler. Het is beter en logischer de AOW te flexibiliseren, zodat werknemers die dat willen vervroegd AOW kunnen opnemen. Er blijft dan balans in het omslagstelsel. Met vervroeging van de AOW zijn we er echter niet omdat hierdoor een korting op de AOW-uitkering plaatsvindt. Eerder stoppen is vaak financieel onmogelijk. Voor mensen met een slijtend beroep is dat onverteerbaar.

En daar komt de tweede bromvlieg in beeld. De discussie rond de slijtende beroepen is niet makkelijk te beslechten. Het is lastig te definiëren wat een slijtend beroep precies is en in welke gevallen werknemers niet kunnen doorwerken tot de stijgende AOW-leeftijd. Toch hoef je er niet voor doorgeleerd te hebben om te weten dat als werknemers jong begonnen zijn met werken en een fysiek en/of geestelijke zware baan hebben - en niet gestimuleerd zijn zich tijdig om te scholen - er sprake kan zijn van een slijtend beroep. De relevante sectoren en bedrijven zijn goed in staat vast te stellen wat een slijtend beroep is. Door middel van cao-afspraken kunnen sectorale of bedrijfsspecifieke ‘pre-AOW’-regelingen worden gemaakt voor slijtende beroepen, in aanvulling op de flexibele AOW of als overbrugging naar de reguliere AOW-leeftijd zolang deze nog niet is geflexibiliseerd. Een dergelijke regeling ziet specifiek op slijtende beroepen en is minder generiek dan het voorstel van het Kabinet om de 52% strafheffing die bij vroegpensioenregelingen moet worden betaald vijf jaar voor pensionering te verlagen door over het deel dat gelijk is aan het minimumloon geen strafheffing op te leggen.

Is een sectorale of bedrijfsspecifieke ‘pre-AOW’ afspraak een RVU en is 52% strafheffing verschuldigd? Niet per definitie. Een goede opzet, de aanwezigheid van tegengestelde belangen en vooroverleg met de fiscus brengt uitkomst. Betekent een dergelijke afspraak ongelijke behandeling? Niet per definitie, als de regeling is ingebed in een breder levensfase bewust personeelsbeleid en te objectiveren valt.

Zijn wij de eersten en enigen die pleiten voor sectoraal maatwerk in plaats van generiek lapwerk door Den Haag? Nee, uit recente publicaties en praktijksignaleringen blijkt dat de Belastingdienst zelf en sommige uitvoerders ook op dit spoor zitten. Nu de sociale partners nog.