Voorstellen: lagere pensioenopbouw én meer belasting over pensioen

In het rapport ‘Bouwstenen voor een beter belastingstelsel’ hebben ambtenaren van het ministerie van Financiën liefst 169 opties voorgesteld om het belastingstelsel toekomstbestendiger te maken. Daarbij zijn twee wijzigingen ten aanzien van de fiscale facilitering van pensioen voorgesteld. Deze wijzigingen staan los van het pensioenakkoord. De ambtenaren stellen voor om het maximale toegestane salaris voor pensioenopbouw te verlagen naar € 60.000 of € 80.000 en het belastingtarief vanaf de AOW-datum te verhogen. 

Verlaging aftoppingsgrens salaris voor pensioenopbouw

Sinds 2015 kent de pensioenopbouw een maximaal salaris waarover fiscaal gefaciliteerd pensioen mag worden opgebouwd. Dit bedraagt nu € 110.111. Het voorstel is om deze grens te verlagen tot € 80.000 of zelfs € 60.000.

De fiscale facilitering van aanvullende pensioenopbouw beoogt pensioenopbouw te stimuleren. De ambtenaren geven aan dat het belang van deze fiscale facilitering bij hogere inkomens afneemt. Bovendien leidt een beperking van pensioenopbouw er niet toe dat er een extra beroep wordt gedaan op de collectieve voorzieningen.

Het positieve effect van de lagere pensioenopbouw voor de begroting wordt structureel op € 0,1 – € 0,3 miljard geschat door het naar voren halen van belastingopbrengsten. Daarbij is opgemerkt dat de belastingopbrengst op langere termijn juist lager wordt door de lagere pensioenuitkeringen.

De invoering van de € 100.000-grens trof destijds naar schatting zo’n 100.000 werknemers. Bij een verlaging naar € 80.000 of € 60.000 is deze groep vele malen groter. Dit betekent dat werkgevers nu met grote groepen werknemers moeten onderhandelen over compensaties en/of het aanbieden van andersoortige regelingen.

De genoemde salarisgrenzen zijn al vaker genoemd in stukken van Financiën en komen dus niet als een verrassing. Als de reden voor deze salarisgrenzen is om werknemers een dermate hoog pensioeninkomen te laten opbouwen zodat zij (net) geen beroep op de sociale voorzieningen doen, dan is dit een valide instrument. Met de inmiddels behoorlijk uitgeklede pensioenopbouw – deze bedraagt in 2020 nog niet eens de helft van wat het in 2004 was – is het echter de vraag of het zo gelauwerde pensioenstelsel in Nederland de titel ‘beste pensioenstelsel’ nog steeds verdient. De OESO heeft Nederland bij de eerdere hervormingen van het pensioenstelsel reeds op het korte termijneffect (naar voren halen belastingopbrengsten) gewezen, maar dat is blijkens dit voorstel aan dovemans oren gericht geweest.

Hogere belastingheffing vanaf AOW-datum

De huidige belastingdruk op inkomen is na de AOW-leeftijd aanzienlijk lager dan ervoor, omdat AOW-gerechtigden geen AOW-premies betalen (17,9%). Om de betaalbaarheid van AOW te kunnen garanderen, wordt voorgesteld de AOW te fiscaliseren. Concreet betekent dit dat voor AOW-gerechtigden dezelfde belastingtarieven van toepassing worden als voor niet-AOW-gerechtigden

De volgende redenen liggen ten grondslag aan dit advies:

  • de inkomenspositie van ouderen is sterk verbeterd ten opzichte van 50 jaar geleden toen de AOW werd ingevoerd, waardoor de premievrijstelling voor AOW-gerechtigden minder noodzakelijk is;
  • er zijn steeds meer AOW-ers ten opzichte van de beroepsbevolking, zodat een steeds grotere groep tegen het lagere tarief belasting betaalt;
  • er zijn minder werkenden om de AOW-premies ten behoeve van de AOW-uitkeringen te betalen, zodat de AOW-uitkeringen steeds meer uit de belastingopbrengsten moet worden gefinancierd.

Deze maatregel levert naar verwachting structureel € 4 miljard op. Als bijkomende zaak wordt opgemerkt dat een lager netto inkomen na pensionering ook een prikkel kan zijn om langer door te werken.

Het omslagstelsel van ons AOW-systeem is niet goed houdbaar bij een disbalans tussen AOW-plussers en de beroepsbevolking. Gezien de vergrijzing en de toenemende druk op de werkende bevolking onderschrijven wij deze maatregel. Om te voorkomen dat de AOW-uitkering op termijn moet worden versoberd is de fiscalisering van de AOW ons inziens een noodzakelijke maatregel. Deze maatregel zal naar verwachting echter niet op veel enthousiasme kunnen rekenen van sociale partners:

  • de vakbonden hebben met succes gepleit voor een verlaging van de AOW-leeftijd en strijden tegen iedere verlaging van inkomen van gepensioneerden (zie de discussies inzake het pensioenakkoord) en
  • werkgevers zien nu al met lede ogen aan dat doorwerken na 65 jaar voor veel werknemers niet haalbaar is, waardoor zij als arbeidsongeschikt uitstromen. Een lager netto inkomen vanaf de AOW-datum zal het voor groepen werknemers noodzakelijk maken langer door te werken.

Overigens snijdt het aangehaalde argument van een verbeterde inkomenspositie van ouderen geen hout. Indien deze maatregel - zoals voorgesteld trapsgewijs -  pas over 18 jaar volledig is ingevoerd, is het grootste deel van de huidige doelgroep met een hoog pensioen c.q. vermogen (de baby-boomers) overleden. Daarnaast heeft de groep die dán de AOW-leeftijd bereikt een aanzienlijk lager pensioen opgebouwd als gevolg van de ingrepen in pensioenopbouw, waaronder wederom een voorgestelde verlaging van de aftoppingsgrens voor de pensioenopbouw.