Wet verbeterde premieregelingen aangenomen

De Tweede Kamer heeft in maart 2016 een wetsvoorstel aangenomen waarmee werknemers met een premieovereenkomst (beschikbare premieregeling) of kapitaalovereenkomst de keuze krijgen of ze vanaf de pensioendatum een vaste of een flexibele pensioenuitkering willen ontvangen. Met dit wetsvoorstel worden diverse pijnpunten van de beschikbare premieregeling weggenomen. 

Werknemers die op dit moment een pensioenuitkering moeten aankopen met hun beschikbare premiekapitaal, ontvangen hiervoor een minstens 20% lagere pensioenuitkering dan hetgeen met de premiestaffels is beoogd. Het probleem is de lage rente en de noodzaak om het kapitaal in één keer om te zetten in een levenslange vaste uitkering. Stijgt de rente over enkele jaren dan profiteren deze pensioengerechtigden daar niet van.

Het wetsvoorstel biedt werknemers daarom onder andere de volgende mogelijkheden:

  • Het is niet langer voorschrift om op de pensioendatum in één keer een vaste levenslange pensioenuitkering aan te kopen. Aankoop van een vaste uitkering blijft echter wel mogelijk.
  • Het is mogelijk een pensioen aan te kopen in eenheden, mits de pensioenuitvoerder dat aanbiedt. Dit impliceert dat op de pensioendatum een levenslange uitkering wordt vastgesteld van bijvoorbeeld 10.000 beleggingseenheden per jaar. Ieder jaar worden deze beleggingseenheden omgezet in een uitkering in euro’s en aan de gepensioneerde uitbetaald. De waarde van de beleggingseenheden kan fluctueren en daarmee ook de hoogte van de uitkering in euro’s. De invloed van de rente is nihil. In deze variant blijft de pensioenuitvoerder het risico dragen dat de deelnemer ouder wordt dan de statistische levensverwachting (het langlevenrisico).
  • Een andere variant betreft de mogelijkheid om het beleggingsrisico collectief te delen. Deelnemers kunnen reeds tien jaar voorafgaand aan de pensioendatum besluiten om een deel van hun pensioenkapitaal in te brengen in een dergelijk collectief waarin schokken in de beleggingsrendementen gedurende maximaal vijf jaren over het collectief worden gespreid. Dit impliceert een aanpassing van de beleggingsstrategie en –mix omdat langer kan worden belegd bij de keuze voor een variabele uitkering. Het resultaat is het meest optimaal indien de aangepaste beleggingsstrategie zo vroeg mogelijk kan worden ingezet.
  • Ook kan de keuze geboden worden om het zogenoemde macro langlevenrisico te delen; dit zijn de financiële mee- of tegenvallers in de algemene sterftekansen.
  • Deelnemers bij een bedrijfstakpensioenfonds hebben op de pensioendatum alleen een shoprecht als men een vaste of variabele uitkering wil én het pensioenfonds biedt deze niet aan. Als het pensioenfonds beide aanbiedt, heeft de deelnemer geen shoprecht.
  • Pensioenuitvoerders moeten deelnemers met een premieregeling bij aanvang van de deelname informeren over de mogelijkheid van een variabel pensioen, deelnemers dienen voorts jaarlijks te worden geïnformeerd en gewezen deelnemers eens per vijf jaar over de mogelijkheid te kiezen voor een variabel pensioen.

De Eerste Kamer moet nog instemmen met het wetsvoorstel dat een beoogde ingangsdatum heeft van 1 augustus 2016.

Het wetsvoorstel is een welkome aanvulling op bestaande pensioenwetgeving die nauwelijks voor beschikbare premieregelingen was geschreven. Het definitieve eenmalige aankoopmoment is hier mee komen te vervallen, zodat pensioengerechtigden ook nog kunnen profiteren van beleggingsrendementen na de pensioendatum. Het is uitermate belangrijk dat werknemers zich goed beseffen dat ze een beleggingsrisico blijven lopen. Gemiddeld gezien zouden de uitkeringen hoger moeten worden, maar er is uiteraard ook een neerwaarts risico. Naast de pensioenuitvoerders zal hier voor werkgevers een taak zijn weggelegd om werknemers gedegen te informeren over de voor- en nadelen. 

5 april 2016

Auteur(s)