Wijzigen pensioenovereenkomst, hoe zit het ook al weer?

In de praktijk zien wij vaak dat er onduidelijkheid bestaat over de wijze waarop en wanneer de pensioenovereenkomst gewijzigd kan worden. In deze actualiteit gaan wij hier kort op in.

Net als voor arbeidsovereenkomsten geldt voor pensioenovereenkomsten het uitgangspunt dat een wijziging van de pensioenovereenkomst de individuele instemming nodig heeft van de werknemer. Dat is de hoofdregel. Dat wil niet zeggen dat in alle gevallen (expliciete) individuele toestemming moet worden gehaald.

Allereerst werken dwingendrechtelijke bepalingen van civiele aard door in de pensioenovereenkomst. Dit geldt dus niet voor wijziging van fiscale regels. Ten tweede leidt een wijziging van het pensioenreglement van een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds van rechtswege tot een wijziging van de pensioenovereenkomst.

In andere gevallen kan een werkgever alleen op de volgende manieren een wijziging van een pensioenovereenkomst bewerkstelligen:

  1. Wijziging door de rechter in het geval van onvoorziene omstandigheden de uitvoering van de pensioenovereenkomst onaanvaardbaar zouden maken (artikel 6:258 BW).
  2. Een wijziging van de pensioenregeling op grond van een pensioenovereenkomst bij cao.
  3. Een wijzigingsbeding dat reeds opgenomen is in de pensioenovereenkomst, bijvoorbeeld de bepaling dat de werkgever het recht heeft de regeling te wijzigen indien en in zoverre de premie boven een bepaald niveau komt. Partijen zijn dan op voorhand overeengekomen dat er gewijzigd wordt.
  4. Door middel van instemming van de deelnemer. De instemming is vormvrij en kan onder voorwaarden stilzwijgend plaatsvinden. In het laatste geval hangt het van de omstandigheden af of het niet maken van bezwaar als instemming geldt. Uitgebreid informeren alsmede het ondubbelzinnig blijken van de instemming zijn belangrijke voorwaarden (zie onder andere de arresten CZ / Halliburton). Ook wordt er door de rechter rekening gehouden met de omstandigheid, maar doorslaggevend is dit niet, of de OR heeft ingestemd met de wijziging van de regeling.
  5. Indien de werknemer weigert in te stemmen met een wijziging en deze weigering althans als onredelijk kan worden beschouwd op grond van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW) of zich niet verhoudt tot goed werknemerschap (artikel 7:611 BW). Hierbij worden alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen (arresten Taxi Hofman en Stoof / Mammoet).
  6. Het eenzijdig pensioenwijzigingsbeding van artikel 19 Pensioenwet. Er moet in dat geval sprake zijn van een zodanig zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer daardoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Of er in een concreet geval sprake is van een voldoende zwaarwichtig belang, zal door afweging van alle relevante feiten en omstandigheden beoordeeld moeten worden. In het algemeen wordt aangenomen dat bijvoorbeeld grote financiële problemen van een werkgever kunnen duiden op een zwaarwichtig belang. Artikel 19 Pensioenwet is door de wetgever bewust geënt op artikel 7:613 BW. De bepalingen geven beide aan dat het eenzijdig wijzigingsbeding moet zijn opgenomen in de pensioenovereenkomst respectievelijk de arbeidsovereenkomst. Ontbreekt een bepaling als in artikel 19 Pensioenwet in de pensioenovereenkomst dan is het zaak dat artikel 7:613 opgetekend is in de arbeidsovereenkomst. Anders kan geen beroep gedaan worden op het eenzijdig pensioenwijzigingsbeding.
  7. Het premiebetalingsvoorbehoud van artikel 12 Pensioenwet. Indien er sprake is van ingrijpende omstandigheden dan kan de werkgever zich het recht voorbehouden de premiebetaling aan de pensioenregeling te verminderen of te beëindigen.

20 februari 2018