Ongunstig arrest Hoge Raad strafheffing bij ontslag oudere werknemers

Recent is een arrest gewezen door de Hoge Raad waarin een ouderenregeling binnen een Sociaal Plan wordt aangemerkt als een Regeling voor vervroegde uittreding. De Hoge Raad kijkt in het geval van oudere werknemers niet naar de intentie van de werkgever, maar naar de regeling zelf.

De uitspraak van de Rechtbank is door mij eerder behandeld, als ook de verbazing wekkende conclusie van de Advocaat Generaal. De Hoge Raad lijkt net als de AG wat bochten af te snijden.

De crux volgens de Hoge Raad (13 mei 2016, zaaknummer 15/01185) is dat er sprake moet zijn van uitkeringen of verstrekkingen die bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum. Zo ja, dan is sprake van een regeling voor vervroegde uittreding op basis van artikel 32ba, zevende lid Wet op de loonbelasting 1964. De beweegreden van de inhoudingsplichtige om zodanige uitkeringen of verstrekkingen aan te bieden doen in dit verband niet ter zake aldus de Hoge Raad.

Wat bedoelt de Hoge Raad nu precies met ‘bedoeld zijn om te dienen’? Lees ik het goed dat als er een eenmalige uitkering wordt verstrekt en de werknemer dit bedrag niet gebruikt om inkomen aan te vullen of te overbruggen tot de pensioendatum er geen sprake is van een RVU? Dit is niet mijn enige bezwaar tegen het arrest. De Hoge Raad ontwikkelt een criterium dat ingaat tegen de uitleg tijdens de parlementaire toelichting. Hierin is zeer duidelijk bepaald dat de intentie van de werkgever doorslaggevend is. De Hoge Raad lijkt nu (op een onduidelijke manier) de objectieve leer van de Advocaat Generaal bevestigd te hebben en geeft daarin een nader maar niet duidelijk criterium.  

Het praktisch belang van het arrest is dat de Belastingdienst de intentie van een werkgever bij collectieve ontslagen definitief ter zijde zal schuiven en simpelweg zal verwijzen naar een drietal besluiten van de staatsecretaris van Financiën (kwantitatieve toets, kwalitatieve toets en 10%-criterium). Als deze drie besluiten geen soelaas bieden, dan staat het middel van pensioenverbetering de werkgever nog ter beschikking. Opmerkelijk is dat sommige werkgevers en adviseurs zich dit laatste niet altijd beseffen en/of niet goed weten toe te passen.

Tot slot merk ik op dat in de bewuste casus sprake was van een goud gerande ouderenregeling waarbij iedereen van 57 jaar en ouder betaald verlof kreeg tot aan de AOW-datum. De feitelijke uitkomst in deze specifieke casus is in die zin nauwelijks verbazend te noemen, zelfs acceptabel. Als het eruit ziet als een RVU, proeft als een RVU en klinkt als een RVU, dan moet het (haast) wel een RVU zijn. Met de haakjes heb ik de wetshistorische nuance aan proberen te geven waarvoor de Hoge Raad kennelijk geen grond ziet. Saillant detail overigens is dat de werkgever een provincie is. De titel van deze actualiteit had dus ook kunnen heten ‘Binnenlandse Zaken spekt RVU-kas Financiën’.

17 mei 2016