Kantonrechter staat eenzijdige invoering werknemersbijdrage niet toe

Op 10 januari 2018 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een uitspraak gedaan inzake een gewijzigde pensioenregeling waarbij de werkgever tevens een werknemerspremie heeft ingevoerd voor een deel van het personeel dat eerder zo gelukkig was geen premie te hoeven betalen. Er is uitgebreid geconsulteerd en gecommuniceerd over de wijzigingen, het leeuwendeel van de werknemers is akkoord gegaan, zo ook een deel van de vakbonden en de OR.

De Kantonrechter oordeelt echter dat de eenzijdige invoering van een werknemersdeel in de pensioenregeling in strijd is met artikel 19 Pensioenwet en/of artikel 7:613 BW. Verrassend? Wij denken van niet.

Net als voor arbeidsovereenkomsten geldt voor pensioenovereenkomsten het uitgangspunt dat een wijziging van de pensioenovereenkomst de individuele instemming nodig heeft van de werknemer. Dat is de hoofregel. Dat wil niet zeggen dat in alle gevallen individuele toestemming moet worden gehaald. Allereerst werken dwingendrechtelijke bepalingen van civiele aard (en dus niet die van fiscale aard!) door in de pensioenovereenkomst. Als er sprake is van een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds dan leidt een wijziging van het pensioenreglement automatisch tot een wijziging van de pensioenovereenkomst.

De kern van deze uitspraak is de invoering van een werknemersbijdrage in een overigens meer uitgebreide pensioenveranderingsoperatie naar aanleiding van de wijziging van het Witteveenkader. De werkgever heeft besloten voor het personeel dat geen bijdrage deed aan de pensioenregeling een werknemersbijdrage in te voeren. In totaal zijn 44 werknemers vanwege de invoering van de werknemersbijdrage niet akkoord gegaan met de nieuwe regeling, 354 wel. Voor het personeel dat al wel een werknemersbijdrage deed, is hun bijdrage verlaagd. Al deze 574 werknemers zijn akkoord gegaan met de nieuwe regeling. De werkgever heeft de regeling vervolgens voor de bewuste 44 werknemers eenzijdig gewijzigd en is een werknemerspremie gaan inhouden.

Ten aanzien van het toetsingskader stellen werknemers zich op primair op het standpunt dat de wijzigingen onrechtmatig zijn. Subsidiair voeren zij aan dat de wijzigingen in strijd zijn met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW) en beroepen zich meer subsidiair op artikel 7:613 BW en artikel 19 Pensioenwet. De werkgever volgt het subsidiaire standpunt en refereert aan artikel 7:611 in relatie tot 6:248 BW.

De kantonrechter volgt het toetsingskader van partijen niet. Er is geen eenzijdig wijzigingsbeding ingevolge artikel 7:613 BW opgenomen in de arbeidsovereenkomst, maar wel in de pensioenovereenkomst. De kantonrechter is daarom van mening dat getoetst kan worden aan artikel 7:613 BW. Immers, het eenzijdig wijzigingsbeding uit artikel 19 PW is de vertaling van artikel 7:613 BW, het wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst.

Conclusie

De rechter komt tot het oordeel dat de werkgever geen zwaarwegend belang heeft om de premieverplichting eenzijdig te wijzigen. Ons inziens is dit geen vreemde conclusie. De werknemers weigeren niet over te gaan naar de nieuwe regeling, maar weigeren in te stemmen met de invoering van een eigen bijdrage. De werknemers kunnen prima deelnemen aan de nieuwe pensioenregeling, zonder dat zij een eigen bijdrage betalen. Overeengekomen was immers een pensioenregeling zonder eigen bijdrage. Dit is ook in de nieuwe pensioenregeling mogelijk. 

15 februari 2018